Home Animaliers: een beestige tijdreis

Animaliers, een beestige tijdreis van vijftig millennia

Animaliers of dierenkunstenaars? Wat doen ze? Wie zijn ze? Wat drijft hen? We vroegen aan Frans Boenders, Vlaams radio- en televisieproducent, schrijver en filosoof, om zijn beschouwingen over animalierkunst en ook een geschiedkundige terugblik, voor ons neer te schrijven. Hij voegde er met veel plezier zijn overdenkingen over de sculpturen van de grote Vlaamse animalière Greta Van Puyenbroeck aan toe. Die kan je, samen met Hélène Arfi, Jos Dirix en Michel Bassompierre bewonderen in onze art gallery in Knokke. 

Het allerprilste begin van de animaliers: het zwijn van Sulawesi

De jongste schattingen wat betreft de oudste dierenafbeeldingen wijzen op ruim vijfenveertig millennia. De recent ontdekte (en uitstekend fotografisch vastgelegde) kleurtekening van een flink uit de kluiten gewassen wild varken, uitgevoerd in een realistisch-figuratieve stijl en gekrast in de diepte van een van de talrijke rotsholen op het eiland Sulawesi – sloeg me bij het zien ervan, op internet, met stomme verbazing.

Een overweldigend monument van prehistorische kunst! 

Het afgebeelde ruige beest, royaal voorzien van rugharen en wratten op z’n snuit, is getekend met  frappant parallelle, in rode oker getrokken horizontale lijnen, die geleidelijk afgebogen samenkomen in een opvallend fijne snuit (van een vorm die vandaag nog bij sommige hondenrassen hoort). Een niet te miskennen mensenhand, links terzijde van het dier, staat op het punt het zwijn bij deszelfs achterwerk weg te duwen – als wou de jager, die onzichtbaar bij die hand hoort, ‘zijn’ wat recalcitrant beest als een trofee op een verhoog showen.

Ja, lieve dierenkunstliefhebbers, het zwijn van Sulawesi – met een geschatte leeftijd van tenminste 45.500 jaar – bewijst ten overvloede hoe voorlijk de prehistorische visuele animalierkunst wel is in vergelijking met onze West-Europese holenkunst, die op zich al zo indrukwekkend oogt –; maar ook hoe tijdloos sommige dierenkunst van vandaag is gebleven, of terug is geworden, zoals in het oeuvre van Greta van Puyenbroeck. Dat hebben we te danken aan het samenvallen van vanzelfsprekend realisme en hoogwaardige symboliek, een unieke combinatie waar kennelijk zowel de prehistorische als de betere postmoderne kunstenaar in geslaagd is. 

 

Dierenkunst bij de Egyptenaren tot in de zeventiende eeuw

Op onze tijdreis maken we even een sprong van enkele millennia, tijdens welke onze blik in het oude Egypte verwijlt – geen graven daar denkbaar zonder geschilderde dieren! Ook in de Griekse en Romeinse oudheid is de diersculptuur prominent in de drager en  – letterlijk! – de optillende verhoger van trotse menselijke waardigheid en de brutale militaire macht: het Paard dat, geheel samen en ook samenwérkend met zijn Ruiter, de luister, maar ook de onderdrukking van veldheren, consuls en keizers exemplificeert.

Na een lange eeuwenreeks die we op school ooit, ten onrechte, als de Duistere Middeleeuwen omschreven zagen, komt het paard, en in zijn kielzog ook het dier op zich en vooral het fabeldier opduiken als een van de decoratieve elementen in handschriften – zulks ter verluchting en esthetische ontspanning tijdens de vrome maar saaie lectuur in bijbels en folianten.

Eerst in de zestiende en zeventiende eeuw krijgen dieren de verdiende aandacht van enkele zeer grote kunstenaars. In Italië analyseert Leonardo de proporties van en binnenin het paardenlichaam. Maar in de renaissance schittert allereerst de toptekenaar Albrecht Dürer met een hele menagerie, van alledaagse honden, varkens, geiten, hazen en eenden – tot de door hem in koninklijke diergaarden geobserveerde leeuwen en neushoorns.  In de Lage landen schilderen onze kunstenaars vooral dieren, levend maar vooral dood in (o paradox!) stille levens. De lijst met namen overweldigt me. Frans Snyders spant hier voor mij de kroon, hij promoveert de uil tot dirigent van vogelconcerten. Want zo is het maar net: IN IEDER DIER SCHUILT EEN MENS. 

De ‘geboorte’ van de animaliers

Nabij het einde van de achttiende eeuw, die van de Verlichting en de Franse Revolutie, kwam in Parijs, doordruppelend naar Brussel, een nieuw woord in zwang: animalier. Het woord wordt al gauw gemeengoed in de kunstkritiek van de jaren dertig der negentiende eeuw. Aangezien kunstcritici, literaire genieën als Charles Baudelaire en Karel van de Woestijne even terzijde, vaak gemankeerde kunstenaars zijn of blijven, zit er nog steeds iets denigrerends in het woord animalier  – alsof  dierenbeeldhouwers niet helemaal bij de ‘echte’ kunst horen, en zich tevreden moeten stellen met populaire succesjes.

Quod non!

De negentiende eeuw, zegt men onnadenkend, is de eeuw van de slechte smaak, van de pompiers, van blote, mollige vrouwen en protserig overladen interieurs; de beste kunstenaars gooien zich op de natuur (die al ferm aan het piepen gaat onder de kwade uitstoot van de nieuwe industrieën) en dezulken worden – alweer door een smalende criticus – ‘impressionisten’ genoemd.

Maar het zou wel ‘s kunnen dat, nu wij opnieuw – maar nu met de moed der wanhoop – naar de (veroordeelde) natuur trekken om onze door stank en smakeloos voedsel uit aangetaste bodems (en door alcohol en drugs) verzwakte organen te genezen, dat we vandaag de nieuwe luister van de animaliers niet zomaar uit de onzuivere lucht (alweer hij!) zien vallen.

Hoe dat ook zij, in de negentiende eeuw herschoolde de goudsmid Antoine-Louis Barge zich wetenschappelijk tot een vooraanstaand ‘animalier’ avant la lettre, en wel op de juiste plek voor goede realistische kunst: de ménagerie van de Parijse Jardin des Plantes, en voorts nog op hondenmarkten, in het Cabinet d’anatomie comparée en in het museum voor ‘natuurlijke historie’, zoals onze betovergrootvaders zulke sacrale kennisoorden noemden. Barges naam blijft verbonden aan bloedstollende dierengevechten op leven en dood, zoals Tijger die een krokodil verscheurt (1831).

We reizen nog verder weg van het varken van Sulawesi, ik herinner mij een interessante expo uit 1984 in de Brusselse galerie van het toenmalige A.S.L.K.: Oriëntalisten en Afrikanisten in de Belgische kunst – een tentoonstelling die de goeddeels vergeten visuele kunst van de voorbije twee eeuwen rehabiliteerde. Dierenbeeldhouwwerk – vooral dat van de vroege twintigste eeuw – kwam veelal tot stand, niet in maar voor de kooien met wilde dieren in de beroemde Antwerpse diergaarde. 

Die van dieren bezeten mannen (toentertijd nog weinig of geen vrouwen) heten Albéric Collin, Josué Dupon, Jean-Marie Gaspar, Frans-Paul Jochems, Raymond baron de Meester de Betzenbroeck; ook de notoire buitenlandse kunstenaars Bugatti en Paul Jouve kenden de dierentuin gelegen naast het centraal station van Antwerpen. Groot was hun vernuft in het gebruik van diverse materialen: klei, marmer en brons, naast ivoor, hout en graniet.

Sedert zulke gouden tijden denken vele ‘kenners’ van de beeldende kunstwereld dat de prachtige werken van hedendaagse animaliers alleen te pruimen en zelfs te prijzen zijn als schatplichtig aan een volstrekt achterhaalde boom die alleen nog deugt voor heftige porties nostalgie – terwijl de beste beelden notabene een aparte, tevens noodzakelijk blijvende plaats in de kunstproductie, en een noodzakelijke functie in de esthetica innemen als een soort ethologische esthetiek.

Ethologie – van  het Oudgrieks ethos, zeden en gewoonten – onderzoekt, binnen het ruime veld van biologie en zoölogie, het gedrag van dieren, al dan niet (vooralsnog) levend in hun natuurlijke biotoop. De gedragsbiologie levert de animalier, althans zij of hij die de zoeterige sentimentaliteit van haar/zijn observaties wil overstijgen, een pracht van een opdracht om een persoonlijke artistieke invulling te geven aan de uitstraling van het afgebeelde dier, in rust en in spectaculaire beweging. 

Daarom definieert men ethologie best zo ruim mogelijk als de biologische wetenschap van het interactief gedrag van mensen, dieren en planten. Voor een artieste als Greta van Puyenbroeck impliceert die definitie het bereiken van een harmonie tussen realistische weergave van het waargenomen dier (de objectiverende blik van de wetenschapsonderlegde kunstenaar) en empathische inleving in wat je de aangeboren, en dus natuurlijke  ‘deugden’ en ‘ondeugden’ van het dier kunt noemen. De grote Vlaamse animalière is hier wonderwel in geslaagd.

De van origine Noord-Brabantse primatoloog Frans de Waal kreeg internationale faam als ‘s werelds scherpzinnigste etholoog van mensapen. Hij beschouwt dieren zoals de dolfijn, olifant en mensaap als én intelligent én emotioneel rijk, opgenomen in een steeds verfijndere groepsethiek van conflictbeheersing dankzij einfühlende vermogens en de beschikking over een mensachtig bewustzijn. De titel van een zijner boeken, De aap in ons, kan je evengoed omdraaien als ‘De mens in jullie, apen!’’

Over bedenkelijke sentimentaliteit gesproken. Onder invloed van de internationaal sterke dierenrechtenlobby woedt vandaag een verdachte theriofilie – de ten dele ongefundeerde liefde voor het (nog) wilde dier. Beren, dieren met een notoir onberekenbaar karakter, worden door kinderen en voormalige kinderen op veilige afstand geknuffeld in een maskerade van pluche en schreeuwerige kleuren. Foto’s en films van de laatste ijsberen, die hun evenwicht verliezen op de spekgladde, smeltende ijslaag waarvoor de natuur hen niet in de wieg heeft gelegd, maken gevoelige kijkers schier onwel, zo niet woedend; ze laten ons allen terecht de wenkbrauwen fronsen. Reuzenpanda’s, trekken in hun artificiële bamboeparken miljoenen vertederde, vaak van overstelpend gevoel wenende bezoekers, ook in hun Chinese geboorteland, welks bikkelharde bewoners zonder verpinken menige Oeïgoer en Tibetaan een poot uitdraaien.

Greta Van Puyenbroeck: vijf van haar sculpturen

Antilope

Curieuze benaming – voor Nederlandstaligen klinkt het Afrikaans ‘bok’ evidenter. Het Oudfranse ‘antelope’ zou op de etymologische lijn liggen, teruggaand tot het OudGrieks, dat ik in mijn woordenboeken niet kan thuisvinden. 

Het dier – in de literatuur ooit een hertachtig fabeldier – komt in talrijke soorten en noemt men derhalve, met een dure technische term, plurifyletisch; haast alle antilopen zijn verwant aan bokken. En het zijn bliksemsnelle renners, wat hun redding is op de Afrikaanse savannen, tegen de leeuwen, en in de Oost-Aziatische wouden, tegen de tijgers. 

Greta zoomt met haar sculptuur in op het momentane, het gestolen, niet publieke ogenblik. Haar sierlijke, holhoornige herkauwer likt een pijnlijke plek op zijn achterste linkerbeen (‘poot’ klinkt mij veel te grof in de elegante setting van het tafereel). Greta biedt ons een opmerkelijk discrete inkijk in de alledaagsheid van deze antilope. Ik vraag me voorts: jeukt het op die plek? Heeft het dier zich gekwetst en ontsmet het de wonde? Of speurt het tegelijk achterom naar een stiekeme vijand?

 

Buffel

De naam geeft zin om eens lekker te gaan buffelen. Maar opgelet! De Afrikaanse Kafferbuffel heeft een onvoorspelbaar gedrag. Daarom twijfelt menige koning van het dierenrijk lang over zijn leeuwensprong en dito beet in de gespierde buffelnek

De buffel heeft meestal een korte vacht: daarvan glijdt een stoere vijand makkelijk af. Zijn in een kwast eindigende staart vind ik opvallend lang. Deze kanjer, van nature plomp, mag Greta niet met lieflijke intenties boetseren. Hij is een waarachtig kuddedier, intimiteit is hier uit den boze. Een buffel kan altoos rekenen op de steun van de groep; maar als individu komt hij zelf ook prompt op om een zwakkere, onervaren soortgenoot te redden. Er bestaan ook gedomesticeerde waterbuffels, en werkbuffels of karbouwen in Vietnam, Birma en Indonesië.

Leuk detail: antropomorfe buffels komen veel voor op thangkha, Tibetaanse rolschilderijen, en ook in fijn bewerkte godenbeeldjes, waar ze, uiterlijk vergramd over ons menselijk egoïsme, in yabyum (seksuele eenheid) staande met hun vrouwelijke tegenhangster, zich voor de geïnitieerde meditator esoterisch-boeddhistisch transformeren tot de verdedigers van de boeddhistische religie.

 

Kat

Nergens blijkt mij de kat zo nadrukkelijk aanwezig als in het oude Egypte, waar katten zelfs gebalsemd werden na de dood. Onder de naam Bastet werd de huiskat al vanaf de Tweede Dynastie vereerd als vruchtbaarheidsgodin. Haar macht sterkte zich uit tot het oproepen van zons- en maansverduisteringen; doch de katgodin stichtte liefst vrede, ze beschermde huisvrouwen en ontpopte zich als paredra (erotische partner) van de god Ptah. Bastet kreeg al in de dertiende eeuw voor onze tijdrekening een aan haar gewijde fenomenale tempel in de stad Boebastis: de Oudgriekse geschiedschrijver Herodotos die haar heiligdom bezocht raakt niet over haar uitgepraat!

Greta’s wat schrikwekkende kat roept dat allemaal in me op; dank je, Greta, je verbindt me weer met de wonderlijke religies waar goden, dieren en mensen ooit een hecht kluwen vormden! Dank ook voor jouw zelfbewuste, nee: overweldigend arrogante katachtige dame die onze al te brave huisdieren het nakijken geeft – gloriërend in verleidingskracht, zichtbaar in haar beide spitse oren, … die onweer voorspellen.

 

Krab

Als klein, bang jongetje van vijf-zes jaar overwon ik mijn vrees om, zoals mijn oudere kameraadjes en zusjes, krabben te vangen tijdens zomervakanties in het ‘Krabbengat’ van Bergen-op-Zoom, waar toentertijd een groot deel van mijn familie woonde. Ach, ik dorst een krab feitelijk nauwelijks te pakken en viste uit het lauwe zomerzeewater dan maar minuscule exemplaartjes waar ik niet wijzer van werd. 

Later at ik dolgraag krab, uit het handje, op de vismarkt van San Francisco, en nog later in Newfoundland, waar naast enorme krabben ook de grote felbegeerde broer, genaamd kreeft, dé lekkernij uitmaakt aan de Atlantische Oceaan, op het kleine Mount Desert Island, waar ik in de jaren tachtig materiaal mocht verzamelen voor een televisieportret van Marguerite Yourcenar, de eerste vrouwelijke schrijfster met een eigen zetel in de Académie Française te Parijs.

Krabben zijn zoals bekend letterlijk schuinsmarcheerders. Zou die bijzondere scheefgang ook gelden op zedelijk gebied? In elk geval suggereert de samengroeiing van kop en lijf onverzettelijkheid, wat zowel een deugd als een ondeugd kan zijn. Casuïstiek! Hun ontwikkeld gezichtsvermogen laat ze toe vijanden van vrienden te onderscheiden. Handig; of juist een hardnekkig vooroordeel?

Goh, die krab van Greta mag er wezen, zeg! Links en rechts van zijn brede borst zie ik poten, wijdopen gespalkt, geheimzinnig en gereed voor de aanval. Grijpscharen. Houdt Greta’s krab me te vriend? Ik hoop het. Nog steeds ‘n beetje bang.

 

Windhond

Deze superelegante luxejongen laat zich niet ondersneeuwen! Hij laat zich aan niets gelegen liggen en ruikt zijn eigen pad. Zelf ben ik geen hondenfreak, wegens al tweemaal (licht) gebeten.

Dit soort honden ken ik van windhondenrennen. Meestal dan nog uit de Angelsaksische zwartwitfilms van de jaren dertig tot vijftig. Sterke films, leuke films, helaas meestal met een onvolkomen geluidsband.

De windhond doet naar verluidt ook dienst tijdens jachtpartijen. Of was dat alleen vroeger? Ik tel zelf geen jagers onder mijn vrienden, ken alleen dezulken die jagen op geld en chic – en helaas niét die jagen op hazen: die juich ik dankend toe, op afstand. Een smakelijke hazenrug ingesmeerd met topmosterd: wie kent er iets heerlijkers? 

Kom ik een windhond aan de leiband tegen, met aan de leidende kant de hand van een mooie vrouw, dan ben ik geneigd een hoofse buiging voor beiden te maken. Ethologisch bekeken houd ik de windhond voor vriendelijk-minzaam doch nooit klef-geestdriftig, voor verstandig hoogbegaafd maar niet neerbuigend – een gevoelige maar nooit tranerige kindervriend.

Ach, in ieder dier schuilt een mens.

En in elk mens schuilt een beest, soms meer dan één – maar dat wist u al.”